Het eerste hoofdstuk van een faction verhaal over een man achter de schermen van een grote voetbalclub. Het verhaal is zeer losjes gebaseerd op inzichten van Marijn Beuker en voetbaldata-analisten, maar dan vermengd met een compleet andere biografische achtergrond (het hoofdstuk dat je leest heeft bijvoorbeeld niets met de achtergrond van Marijn Beuker te maken).
Het doel van het verhaal is om te onderzoeken in hoeverre data de voetbalwereld hebben veranderd en in hoeverre het mogelijk is om het spelletje via data volledig te doorgronden. Het antwoord op die vraag? Daar probeer ik zelf al schrijvende achter te komen….
Motto
Von Neumann had wiskundig aangetoond dat er in een spel voor twee spelers altijd een rationele wijze van handelen bestaat, onder voorwaarde (en dat is het addertje onder het gras) dat ze diametraal tegenovergestelde belangen hebben.
De Maniac – Benjamín Labatut – 2023
Hoe het begon
“Het geheugen is onbetrouwbaar, maar toch weet ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik van het spel ben gaan houden toen ik als 8-jarige Johan Cruijff in 1981 met een boogbal zag scoren tegen Haarlem. Het is in ieder geval mijn eerste herinnering aan het spel.
Mijn vader was de enige van het gezin die voorovergebogen, dicht bij de tv Studio Sport zat te kijken, met een flesje bier in zijn ene en een shaggie in de andere hand. Ik zat met mijn moeder en broer en zus een potje te zwikken aan de eiken tafel aan de andere kant van de kamer, met een schuin oog op de tv gericht. Er was iets met die namen. Cruijff. Ajax. Ja, daar moet het zijn begonnen. Die namen hadden een bijzondere klank, alsof er een hele wereld achter schuilging – ik begrijp natuurlijk dat ik dit laatste achteraf invul. Op dat moment waren het waarschijnlijk alleen die klanken en de opwinding van mijn vader die iets van interesse in mijn kinderbrein losmaakten.

Toen begon mijn vader ineens als een waanzinnige te juichen. Hij stond op uit zijn stoel en balde zijn vuist, alsof hij zojuist zelf gescoord had. Ik had net even niet opgelet omdat mijn zus troefde, maar was nog net op tijd voor de herhaling. Zelfs mijn moeder stopte even met kaarten. Wat we zagen was een ranke man die met de voet aan de bal en ongeëvenaarde souplesse twee andere mannen ontweek, om vervolgens de bal dusdanig te raken dat hij met een boog over de verbouwereerde keeper in de goal belandde.
De volgende dag las ik het verslag van die wedstrijd in de krant. Je moet weten dat ik van nature een enorme romanticus ben; ik was in die tijd volledig verzot op heldenverhalen. Ik verslond de stripboeken over Batman en Spiderman. Zelfs nu nog kijk ik iedere film die over hen uitkomt. En deze Cruijff had ook iets van een bovennatuurlijke held, zijn verhaal leek in een bepaald opzicht op dat van Batman. “De Verlosser”, werd hij genoemd, en net als bij de op leeftijd geraakte Batman werd er constant getwijfeld of hij het niveau nog wel aankon. Daarom was die goal zo belangrijk: hij kon het nog. Ondanks zijn leeftijd, ondanks allerlei kleine en grote pijntjes. Hij had iets magisch, iets wat ons gewone stervelingen ontsteeg.
Vanaf dat moment liet ik het kaarten links liggen en keek ik met mijn vader naar Studio Sport en naar iedere wedstrijd die maar live op tv werd uitgezonden. Dat waren er trouwens niet zoveel. Vaak was het zelfs de vraag of de wedstrijden van Oranje werden uitgezonden. Daarvoor moest het stadion eerst uitverkocht zijn, je kunt het je nu nauwelijks meer voorstellen. In onze tijd zijn de inkomsten die voortkomen uit de tv tig malen groter dan die van de recette van de wedstrijd, maar dat was toen nog anders. Dus was je aangewezen op de radio. Langs de Lijn. Nu ik erover nadenk: dat beantwoordde perfect aan mijn romantische inborst en het heeft me misschien wel enorm goed geholpen in de toekomst: je had alleen de commentator om je aan vast te houden. Voor de rest moest je alles zelf imaginairen.
De zondagmiddag was heilig: dan had je meerdere wedstrijden tegelijk. In een schriftje hield ik alle tussenstanden en belangrijke momenten bij. Ik moest dan altijd apart op mijn kamer zitten omdat mijn vader de uitslagen niet wilde weten. Ik fantaseerde er lustig op los en verbeeldde me dat ik zelf een soort superheld was die binnen een mum van tijd van wedstrijd naar wedstrijd kon vliegen en zelfs een stukje terug in de tijd. Wat zou dat fantastisch zijn: meerdere wedstrijden tegelijk kijken! Je kon je natuurlijk niet voorstellen dat zoiets op een dag de normaalste zaak ter wereld zou zijn. Laat staan dat je al die wedstrijden in een computer kon stoppen en er dan weer allerlei gegevens uit kon halen.
Op maandagochtend stond ik om zes uur op, zodat ik de eerste van het gezin was die de Gelderlander bemachtigde. Het sportkatern, met name het voetbalgedeelte, spelde ik van A tot Z uit, tot aan de amateurs toe. In mijn schriftjes begon ik opstellingen te schrijven. Toen was het nog simpele rekenkunde. Iedereen één tegen één tegenover elkaar en als 6 van jouw spelers beter waren dan die van de tegenstander, dan won je de wedstrijd. Of maak het iets complexer: een sterspeler die voor 2 of 3 telt, en je hebt een theorie waarin het gros van de voetbalvolgers nog altijd gelooft. Lees maar eens 100 comments op voetbalsites en je zult zien dat 90 van hen spelers vergelijken en denken dat het probleem is opgelost als je Jantje voor Pietje inwisselt.
Slechts weinigen kijken verder dan dat, zien het hele veld, zien de ruimtes, weten hoe ze die ruimtes moeten opdelen. Waarbij ook nog komt dat hun voorkeuren voor spelers vaak meer zeggen over henzelf dan over die speler. Iemand die zichzelf als harde werker ziet, sympathiseert met harde werkers. Iemand die zichzelf als buitenbeentje ziet, sympathiseert met de flegmatieke speler. De Riquelmes, de Okocha’s van deze wereld. De uitgestorven nummer 10. Of met de buitenspelers, zoals Tscheu La Ling, die 80 minuten liep te flierefluiten en dan ineens twee man passeerde alsof ze er niet stonden. Niemand, op een paar voetbalgenieën na, wist destijds wat de effectiviteit van die spelers was.”
Ik hield vooral van de elegante bewegingen van bepaalde spelers. Jesper Olsen, de vlo, was mijn tweede favoriete voetballer. Daarna Vanenburg en Van Basten. Later Bergkamp. Eén wedstrijd sprong er met kop en schouders bovenuit en heeft zich diep in mijn bewustzijn genesteld. Ajax – Feyenoord 8-2. Jong tegen oud. Cruijff bij de vijand.
Later werd Cruijff trainer van diezelfde jonkies. Het was een fantastische tijd om supporter te worden. Toen ik begon te kijken, stelde het Nederlands voetbal niets, maar dan ook niets voor. De laatste twee eindtoernooien waren gemist, de volgende twee zouden ook nog gemist worden, de Nederlandse clubs lagen er op een enkele uitzondering in de eerste rondes van de Europacup uit. Bij Ajax zaten vaak maar 8000 man op de tribunes. Toen kwam Cruijff. Een paar jaar later won Ajax de Europacup II. PSV (met een flink aantal ex-Ajacieden in de selectie, ik kan niet nalaten dat te benadrukken, haha) zelfs de Europacup I. Het Nederlands elftal werd Europees kampioen. Vanuit het perspectief van 1981 was die omwenteling niets meer dan een klein wonder, en zo ervaarde ik het ook.
Die jonge jaren hebben me enorm beïnvloed. Het is een leidraad in mijn leven gebleven: iets vanaf 0 opbouwen en dat doen met jeugd. Een wonder proberen te volbrengen als niemand er meer in gelooft. Zoals Batman. Daar ligt mijn hart. Nu heb ik die kans gekregen, bij mijn favoriete club nog wel. Het is ongelooflijk als je er goed over nadenkt.”
“Ik kom uit Beltrum, een dorp diep in de Achterhoek. Wij waren de boeren van de boeren. Serieus. Wanneer ik door de gang op de middelbare school liep, dan kwam het regelmatig voor dat iemand zei: “Hey boer.” Dat was dan als scheldwoord bedoeld. Dolkomisch, als je erover nadenkt. Iemand uit een ander gehucht zoals Groenlo of Borculo of Lievelde die jou boer noemt. Tegenwoordig is het sentiment geloof ik enigszins gedraaid: Beltrum mag op enig respect rekenen vanwege de hechte gemeenschap. Als mensen me vragen om het dorp te typeren, dan zeg ik altijd: het is een soort Groesbeek en Volendam bij elkaar opgeteld. Jongeren weigeren er te vertrekken, op enkele uitzonderingen na zoals ik. Een vriend van me drukt het als volgt uit: “Beltrum is een sekte”, maar dat is al te sterk uitgedrukt.

Destijds, als achtjarig mannetje, was ik me daar allemaal niet van bewust natuurlijk. Voor mij was Beltrum één grote speeltuin. We voetbalden op het schoolplein, op straat, op de velden van de plaatselijke vereniging Vios Beltrum. Vooruit is ons streven. Of zoals de jongens uit Groenlo, onze aartsvijanden, zeiden: Verliezen is onze sport. Later mochten we zelfs in de sporthal voetballen als die niet bezet was. Daar ben ik de beheerder, Leo Bennink, nog altijd dankbaar voor. Iedere vrije minuut hingen we op die plekken rond. Of we voetbalden zelf of we keken naar andere sporten. Volleybal, handbal en voetbal uiteraard. We verzonnen ook zelf sporten: op het schoolpleintje speelden we een soort combinatie van honkbal en tennis, waarbij we een racket gebruikten in plaats van een knuppel. We hadden slechts 2 vijanden: meester Jansen en meneer Helmers.
Meester Jansen was allesbehalve een kwaaie pier, maar als hoofd van de school kon hij er niet tegen dat we het grasveld naar de Filistijnen hielpen en de ruiten lieten sneuvelen. Meneer Helmers was die buurman die miljoenen jochies over de hele wereld kennen: als de bal in zijn tuin kwam, stak hij hem lek. Dat werd een sport op zich: sommige jongens schopten de bal opzettelijk in zijn tuin, en dan was het de vraag wie de bal op durfde te halen voordat de duivel ten tonele verscheen. Want we waren echt bang voor meneer Helmers. Ik was de enige die de bal van hem terug kreeg. Waarom snapte ik pas veel later. Hij was een collega van mijn vader, die vrachtwagenchauffeur bij de Grolsch was. Meneer Helmers was daar heftruckchauffeur. En de vrachtwagenchauffeurs stonden in de hiërarchie boven de heftruckchauffeurs. Hiërarchieën, je treft ze werkelijk overal aan, op ieder niveau, zeker in de voetbalwereld. Ik las ooit eens een artikel over problemen bij een opvangplek: de drugsverslaafden weigerden in 1 ruimte opgevangen te worden met de alcoholverslaafden. Dus zelfs op dat laagste niveau is er sprake van hiërarchie.
2 reacties
Arjen · 15 juli 2024 op 18:02
Schitterend beschreven Joris! Hier geniet ik echt van. Ik kijk uit naar meer.
Bennie · 11 augustus 2024 op 15:49
Geweldig beschreven! Zet je aan het denken…