Een 18-jarige jongen bevindt zich in een kantoorruimte, omringd door volwassenen. De jongen is een talentvolle tennisser, de volwassenen moeten bepalen of deze jongen aangenomen gaat worden op hun prestigieuze opleiding. Over zijn tenniskwaliteiten bestaat geen discussie, maar er is iets met zijn toelatingstest wat opgehelderd moet worden.

Harold Incandenza is de naam van de jongen, we lezen het verhaal vanuit zijn perspectief. Harold is extreem hoogbegaafd. Dit wordt ons in eerste instantie niet medegedeeld, maar kunnen we afleiden aan de gedetailleerde beschrijving die hij geeft van zijn omgeving. Iedere lichte stembuiging van zijn toelaters, iedere minieme verandering in hun non-verbale uitingen, de geur die ze verspreiden, hun kleding: alles neemt hij waar en beschrijft hij minutieus. Ook de kamer – de stoelen, de tafels, de vloerbedekking – kent al snel geen geheimen meer voor hem. Bovenal is hij zich zeer bewust van zijn eigen houding. Dus je zou verwachten dat voor iemand met zo’n opmerkingsgave die toelatingstest een eitje is.

Hoewel hij het onderwerp van de bespreking is, praat hij zelf niet. Twee beschermheren voeren het woord, een strategie die vooraf bepaald is. De beschermheren proberen de toelaters te overtuigen dat de verknalde toelatingstest (‘verbal scores that are just quite a bit closer to zero than we’re comfortable with’) een incident was en dat de jongen juist begiftigd is met enorme academische kwaliteiten. Als argument dragen ze Harolds uitstekende cijfers aan en een serie essays met titels als: ‘Neoclassical Assumptions in Contemporary Presprictive Grammar’ en ‘The Emergence of Heroic Stasis in Broadcast Entertainment’. De toelaters vertrouwen het niet. De testscore komt niet overeen met Harolds cijfers en essays en bovendien heeft Harold deze cijfers behaald op een opleiding die opgericht is door zijn vader en waar enkele van zijn familieleden werken. Fraude wordt vermoed. Harold heeft ondertussen nog geen woord gesproken. De beschermheren worden daarom gesommeerd om de ruimte te verlaten, zodat Harold zelf deze vreemde discrepantie kan uitleggen. Dat doet hij uiterst eloquent, zoals uit dit fragment blijkt:

‘My application’s not bought,’ I am telling them, […] I am not just a boy who plays tennis. I have an intricate history. Experience and feelings. I’m complex. ‘I read’, I say, ‘I study and read. I bet I’ve read everything you’ve read. Don’t think I haven’t. I consume libraries. I wear out spines and ROM-drives. I do things like get in a taxi and say, “The library, and step on it.” My instincts concerning syntax and mechanics are better than your own, I can tell, with due respect.
‘But it transcends the mechanics. I’m not a machine. I feel and believe. I have opinions. Some of them are interesting. I could, if you’d let me, talk and talk. Let’s talk about anything. I believe the influence of Kierkegaard on Camus is underestimated. I believe Dennis Gabor may very well have been the Antichrist. I believe Hobbes is just Rousseau in a dark mirror. I believe, like Hegel, that transcendence is absorption. I could interface you guys right under the table,
1

Een geit die verdrinkt

Een tikje pompeus en zelfingenomen misschien, maar overduidelijk is dat de jongen zeer verbaal begaafd is, en het ging er uiteindelijk om dat aan te tonen.

Toch reageren de toelaters geschokt en vol afschuw. Nee, wacht, dat is te zwak en inadequaat uitgedrukt. Ze zijn geshockeerd door het schouwspel dat zich voor hun ogen afgespeeld heeft. Misselijk. Niet alleen overdrachtelijk bedoeld, maar ook fysiek misselijk. Want wat wij lezen, is niet wat de toelaters gehoord hebben. ‘But the sounds he made […] Sounded most of all like a drowning goat.’ En alsof dat nog niet genoeg is, krijgt de jongen ook nog eens een aanval die op epilepsie lijkt.

We zijn pas 11 pagina’s onderweg en nu al grijpt de roman me bij de lurven. Deze openingsscene zou je kunnen interpreteren als een groteske metafoor voor de onmacht die hoogbegaafden voelen als zij hun innerlijke belevingswereld aan de buitenwereld moeten uitleggen, zeker in een stressvolle situatie zoals een toelatingsgesprek. Of, iets abstracter gezien, als de onmogelijkheid om via taal volledig uitdrukking te kunnen geven aan iemands gedachten en gevoelens.

De roman in kwestie kwam in 1996 uit en heet Infinite Jest (‘Een oneindige grap’) van David Foster Wallace en geheel in overeenkomst met de titel kan de roman vanuit schier ontelbare invalshoeken geïnterpreteerd worden. Ik ben inmiddels pas op bladzijde 103 van een kleine 1000 pagina’s, exclusief 388 voetnoten waarvan sommige ook weer voetnoten bevatten. Een van die interpretaties is dus een voyeuristisch inkijkje in het hoofd van een extreem hoogbegaafde. Het boek is namelijk semi-autobiografisch: David Foster Wallace was zelf ook een begaafd tennisser in zijn jeugd (alhoewel geen absoluut toptalent) en een extreem intelligente en gevoelige man. Plus iemand die worstelde met alcohol- en drugsverslaving.

Wat gebeurt er als je deze ingrediënten (hoogbegaafdheid en middelengebruik, bedoel ik) met elkaar mixt? Daar geeft het volgende hoofdstuk een antwoord op. Het perspectief wisselt van Harold naar een naamloze man, die wacht op een vrouw die hem een absurde hoeveelheid marihuana komt brengen. De man maakt voor de aller-allerlaatste keer voorbereidingen om voor de aller-allerlaatste keer in een dagenlange marihuana- trip onder te duiken. Zijn doel is om zo belachelijk, onmenselijk veel te gaan roken dat hij voor eens en altijd van de substantie verlost is.

Weer lezen we een minutieus verslag. Nu van de voorbereidingen, die voor een deel in het teken staan van niet betrapt worden (iets wat we later bij meerdere personages tegenkomen, waaronder Harold, die ook niet vies is van marihuana). Vooral de geur die marihuana verspreidt is daarbij een probleem. Maar ook moet er voedsel en drank ingeslagen worden (‘soda, Oreos, bread, sandwich, meat, mayonaisse, tomatoes, M&M’s, Almost Home cookies, ice cream, a Pepperidge Farm frozen chocolate cake, and four cans of canned chocolate frosting to be eaten with a large spoon.’), collega’s en bekenden moeten met smoezen op afstand worden gehouden, precies de juiste waterpijp moet aangeschaft worden (de man gooit na iedere wietvakantie al zijn gereedschap weg, omdat dit echt de allerlaatste keer is, net zoals een roker tig malen zijn laatste sigaretten weggooit), het antwoordapparaat moet met de juiste toon worden ingesproken, en ga zo maar door.2

Ondertussen komt de vrouw maar niet opdagen, waardoor de man zich in een merkwaardige spagaat bevindt. De ene helft van hem wil een trip beleven, de andere helft ziet er met afschuw naar uit. Al die moeite voor iets dat uiteindelijk slechts zelfhaat en paranoia oplevert. Paranoia die nog eens verstevigd wordt door het observeren van een insect dat telkens verschijnt en verdwijnt, een archetypische knipoog die Foster Wallace meerdere malen toepast.

Een zwerver met blikjes

‘Waarom? Waarom doe je jezelf dit aan?’, vraag je je als lezer herhaaldelijk af. En waarom lees ik dit boek eigenlijk? Eén antwoord daarop is dat het boek zo ongelooflijk intens is, in overdonderende ritmische en koortsachtige zinnen geschreven, die je helemaal doen vergeten dat er ook nog een wereld buiten deze roman is. Het is alsof je vereenzelvigd raakt met de personages, net zo obsessief in je lezen opgaat als zij in hun dagelijkse beslommeringen opgaan. Dat is weinig romans gegeven. Meestal ben ik half in ‘deze’ wereld en half in de boekenwereld, maar nu kan er op straat een spontaan volksfeest losbarsten en ik zou er nauwelijks iets van meekrijgen.

En door er zo diep in te duiken, ontstaat iets van empathie met deze mensen in miserabele toestand. Want als ik het boek dichtsla om naar de supermarkt te lopen, ontmoeten mijn ogen een zwerver die twee vuilniszakken met lege blikjes met zich meetorst. Net als de meeste mensen bekijk ik deze verschoppelingen van de samenleving doorgaans met een mengeling van afschuw en medelijden, om vervolgens met een grote boog om ze heen te lopen en mijns weegs te gaan. Maar nu denk ik: wat zou zijn verhaal zijn? Hoe is het zo ver gekomen? Was deze man ooit ook ergens talentvol in?

Dat is 1 uitleg en een oneindig tekortschietende. Want er is zoveel meer. De hoogbegaafdheid en verslaving worden namelijk ingebed in een wereld die zich, vanuit 1996 gezien, in de nabije toekomst afspeelt en de roman kan ook gelezen worden als een commentaar op onze consumptiemaatschappij (vandaar bijvoorbeeld de uitgebreide omschrijvingen van producten, zoals die opsomming van voedsel en drank, niets in deze roman gebeurt zomaar) en de daarmee samenhangende verslaving aan media en technologie. Die verslaving uit zich in het boek doordat vele personages zich verliezen in fictieve werelden die tot hen komen via cartridge films, maar het is natuurlijk moeilijk om hierbij niet te denken aan YouTube en Netflix etc. De jaartelling is inmiddels afgeschaft, in plaats daarvan worden namen van de jaren verkocht aan de hoogste bieder (bijvoorbeeld: ‘The year of the Whopper’).

Vanuit dat perspectief doet de roman soms akelig visionair aan (hopelijk niet al te visionair). Deze speelt zich namelijk af in een land genaamd O.N.A.N. (Organization of North American Nations), bestaande uit Mexico, de VS en Canada. De president heet Johnny Gentle, een charismatisch mediafiguur die belooft om het land te hervormen. Deze Gentle is zelf nogal een oppervlakkig figuur, de werkelijke architect van O.N.A.N. is Rodney Tine.

Voor nu even een laatste observatie, met als bedoeling om duidelijk te maken hoe de verschillende thema’s met elkaar verbonden zijn. Ieder voordeel heeft een nadeel in de roman. Johnny Gentle belooft het volk een zorgeloos bestaan door middel van consumptie; de keerzijde hiervan is dat hiervoor massa’s energie nodig zijn, die een afvalprobleem opleveren.

In een uiteenzetting van Gerhardt Schtitt, de Hoofdcoach en Atletisch Directeur van de tennisacademie, komt dit yin/yang principe ook weer terug. Hij betoogt dat de tennistraining in wezen bedoeld is om de jonge spelers op te leiden tot verantwoordelijke volwassenen. Daarbij maken volgens hem de meeste coaches een cruciale fout: zij doen alsof die opleiding een rechte lijn naar succes vertegenwoordigt, alsof daar een soort blauwdruk voor is. Als je je maar houdt aan een aantal basisprincipes, zoals discipline, dan komt alles goed.

‘This myth of the competion and bestness we fight for you players here: this myth: they assumes here always the efficient way is to plow in straight, go! The story that the shortest way between two places is the straight line, yes?’

Het doet denken aan al die coaches en influencers die je voorspiegelen dat zij de perfecte methode hebben gevonden en dat jij alleen maar hoeft te volgen om in hun voetsporen te treden.

‘Where is their straight shortest then, yes? Where is the efficiently quickly straight of Euclid then, yes? And how many two places are there without there is something in the way between them, if you go?’

There is always something in the way. Tussen model en werkelijkheid, tussen een schijnbaar ideale opleiding en de realiteit, zou je kunnen zeggen. In de roman uit zich dat in de keerzijde waar veel van de begaafde atleten mee te maken krijgen: hoge druk, stress, waarmee een significant deel van hen probeert om te gaan door naar drank en drugs te grijpen, of door de wereld op een overmatige manier te ontvluchten middels fictief entertainment in de vorm van film(pje)s.3

Daarmee is de roman ook een commentaar op onze prestatie- en concurrentiemaatschappij en ik ben benieuwd hoe Foster Wallace dit verder uitwerkt. Hoe dat allemaal in elkaar grijpt, dat is iets voor de volgende keer. Nog 900 pagina’s te gaan.

  1. Er is geen Nederlandse versie van deze roman, mede daardoor zijn de citaten in het originele Engels weergegeven. Wel heb ik uit betrouwbare bron vernomen dat er aan een vertaling gewerkt wordt. Die laat echter nog even op zich wachten, om redenen die voor iedereen die de roman leest, volstrekt duidelijk zullen zijn. Dit boek vertalen is een waar monnikenwerk. ↩︎
  2. Geen moment komt de gedachte in me op dat ik teveel spoiler, omdat wat ik hier weergeef nog geen procent is van de daadwerkelijke inhoud. ↩︎
  3. In de voetnoten legt Foster Wallace een verband tussen non-Euclidische wiskunde en theoretische wiskunde enerzijds en tennis en het leven anderzijds. FW, afgestuurd in formele logica, dat veel raakvlakken toont met theoretische wiskunde, gaat hier dieper in op de relatie tussen theoretische modellen en de realiteit. In mijn ongetwijfeld onvolledige woorden, als geïnteresseerd leek, komt het erop neer dat wiskundigen zoals Cantor en Gödel hebben aangetoond dat geen model de realiteit volledig kan nabootsen. Een model is namelijk altijd gesloten, afgebakend, de realiteit is open en oneindig. Er zitten altijd addertjes onder het gras, oftewel variabelen die door geen enkel systeem kunnen worden aangetoond. In tennis (en feitelijk in alle enigszins complexe sporten) doemen er altijd weer situaties op die door geen enkel trainingsmodel ondervangen kunnen worden. Degene met de beste intuïtie, iemand die buiten de aangeleerde training kan denken, is daarmee de beste tennisser. Voor het leven geldt hetzelfde: er komen altijd situaties op je pad die weliswaar lijken op situaties die anderen ook al hebben doorleefd en/of beschreven, maar iedere situatie is net weer anders. Daardoor bestaan er geen textbook oplossingen. ↩︎


0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *